Gemeenten zetten eind 2024 samen 2 miljard euro opzij, maar rekenen tot en met 2029 juist op 2 miljard tekort. Met 43 miljard euro in de spaarpot kleuren de meerjarenbegrotingen dus opvallend vaak rood.
In vogelvlucht
- Gemeenten parkeren eind 2024 samen 2 miljard euro, terwijl ze tot 2029 juist 2 miljard tekort verwachten.
- Ondanks een gezamenlijke spaarpot van 43 miljard euro kleuren de meerjarenbegrotingen opvallend vaak rood.
- Het contrast tussen 43 miljard op de bank en voorspelde tekorten roept vragen op over planning van publiek geld.
Geld op de plank, tekorten in de boeken
Gemeenten sluiten 2024 af met een overschot van 2 miljard euro door uitgestelde plannen. Tegelijk staat in de meerjarenramingen een verwacht tekort van 2 miljard euro tot en met 2029.
De gezamenlijke reserves zijn eind 2024 opgelopen tot 43 miljard euro. Dat is weer 2 miljard meer.
Voor 2025 wordt een tekort van 667 miljoen euro ingeboekt. Dat loopt op naar 1,4 miljard euro in 2026.
Volle spaarpot, lege speelplaats
Die 43 miljard euro zit grotendeels vast in toekomstige projecten zoals wegen en fietspaden. Het geld mag niet zomaar worden gebruikt om gaten in de begroting te dichten.
Toch rekenen ruim 70 procent van de gemeenten in 2025 tot en met 2027 samen op een tekort van 3,4 miljard euro. Op papier is er dus een dikke buffer, terwijl de exploitatie vooral rood kleurt.
Overschot nu, zorgen later
Ongeveer 80 procent van de gemeenten had in 2024 een overschot dankzij late rijksgeldstromen en uitgestelde plannen. Maar 21 procent noteerde juist een tekort van samen 450 miljoen euro.
Vandaag lijkt het beeld dus positief, maar de problemen zijn in de tijd geschoven. De rekening komt terug in de jaren erna, precies als de reserves al vaststaan voor andere plannen.
Plannen genoeg, maar weinig onderbouwing
Slechts 30 procent van de gemeenten heeft een positieve meerjarenbegroting volgens een analyse van NOS en BDO. De rest rekent zichzelf de komende jaren naar beneden.
“Maar 30 procent van de gemeenten heeft een positieve meerjarenbegroting”, zegt BDO via NOS. Daarachter volgt de constatering dat er “echt nog veel werk aan de winkel” is.
Schijncomfort en denkbeeldige bezuinigingen
Een deel van de buffer mag wel worden ingezet om tekorten te dichten, meldt NOS. Dat noemen de rekenmeesters van BDO “schijncomfort”, omdat structurele uitgaven dan leunen op spaargeld.
Daarnaast schrijven gemeenten in hun begrotingen vaak dat ze later nog wel kunnen besparen. Hoe dat precies moet gebeuren, blijft regelmatig onduidelijk.
