Gemeenten die hun armoedebudget wilden sparen door mensen onder bewind eerst hun spaargeld te laten opeten, zijn teruggefloten. De Centrale Raad van Beroep heeft beslist dat gemeenten niet stiekem een strengere vermogensgrens mogen gebruiken als het om de rekening van de bewindvoerder gaat.
In vogelvlucht
- Een man met de ziekte van Huntington vroeg bijzondere bijstand aan voor 119,69 euro per maand aan kosten voor beschermingsbewind.
- De gemeente Coevorden weigerde die bijstand, omdat zij voor bewindvoering een veel lagere vermogensgrens gebruikte dan voor andere bijzondere bijstand.
- De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat gemeenten niet alleen om budgettaire redenen een lagere vermogensgrens voor bewindkosten mogen hanteren.
Hoe een spaarpotje belangrijker werd dan bescherming
De zaak begint bij een man die in een verzorgingstehuis woont en een bijstandsuitkering heeft. Hij heeft de ziekte van Huntington. Hij staat onder bewind en vraagt op 1 juli 2021 bijzondere bijstand aan voor zijn bewindskosten van 119,69 euro per maand.
De gemeente Coevorden kijkt in de eigen beleidsregels. De gemeente bepaalt dat al het vermogen boven de maandelijkse bijstandsnorm meetelt als draagkracht. De man heeft 2.754,01 euro op de bank, terwijl de bijstandsnorm in zijn situatie 358,47 euro per maand is.
De gemeente rekent uit dat er ruim 2.395 euro “over” is en besluit dat hij de bewindskosten daarom zelf moet betalen. Bezwaar helpt niet en beroep bij de rechtbank ook niet. Pas in hoger beroep komt de kentering.
Rechter: beleid gericht op gemeentekas, niet op draagkracht
In een artikel op Lagere vermogensgrens voor draagkracht bijzondere bijstand kosten beschermingsbewind afgestraft schrijft auteur André Moerman dat sommige gemeenten speciaal voor bewindskosten een lagere vermogensgrens hanteren dan voor andere bijzondere bijstand. Hij vat samen dat gemeenten hiermee paal en perk willen stellen aan de hoge uitgaven aan beschermingsbewind.
De Centrale Raad van Beroep kijkt naar het beleid van Coevorden en maakt korte metten met deze aanpak. De Raad wijst erop dat voor bewindvoering al het vermogen boven de bijstandsnorm wordt meegenomen. Voor andere kosten gold de normale vermogensvrijlating, destijds 6.295 euro.
Dat verschil is bewust ingevoerd, omdat bewind veel geld kost. De Raad oordeelt dat het bij de draagkracht alleen hoort te gaan om de vraag of iemand de kosten zelf kan dragen.
In de uitspraak staat dat de beleidsregel voor bewindkosten “niet gebaseerd is op omstandigheden die betrekking hebben op het al dan niet zelf kunnen dragen van de kosten waarvoor bijzondere bijstand is aangevraagd, maar uitsluitend op het beheer van de gemeentelijke financiën”. Daarom is de gemeente “buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden”.
Extra streng zijn bij bewindkosten mag niet meer
In zijn naschrift legt Moerman uit wat dit in de praktijk betekent. Volgens hem zet de uitspraak een streep door beleid waarbij een lagere vermogensgrens geldt voor beschermingsbewind dan voor andere kosten.
Gemeenten mogen wel een eigen vermogensgrens kiezen. Die grens moet dan voor alle kostensoorten hetzelfde zijn. Hij wijst ook op gemeenten die bij bewindskosten meer inkomen meetellen dan bij andere aanvragen voor bijzondere bijstand.
Ook daar is volgens hem de vraag of daar wel een redelijke grond voor is. Er zijn geen aanwijzingen dat mensen onder bewind minder kosten hebben dan anderen met hetzelfde inkomen.
Gevolgen voor gemeentelijk beleid rond bijzondere bijstand
De boodschap voor gemeenten is dat wie de rekening van beschermingsbewind te hoog vindt, niet simpelweg de vermogensgrens voor die ene kostenpost mag verlagen. Zo schuiven gemeenten het probleem door naar mensen met een klein spaarpotje.
Gemeenten hoopten hun armoedebudget te ontzien door mensen onder bewind eerst hun spaargeld te laten opmaken voor de rekening van de bewindvoerder. De hoogste rechter stelt dat bijzondere bijstand om draagkracht van de inwoner draait en niet om gaten in de gemeentekas.







