Het formatiedocument van D66 en CDA presenteert zich als een richtinggevend, rustig en professioneel verhaal over wat een volgend kabinet zou kunnen doen, maar wie het met enige afstand leest, ziet een blauwdruk van een overheid die stilletjes maar beslist verder uitdijt, met gevolgen voor de werkende Nederlander.
In vogelvlucht
- Het formatiedocument van D66 en CDA beschrijft plannen die vrijwel allemaal neerkomen op meer overheid, zonder dat dit expliciet wordt benoemd.
- De groei van de staat gaat gepaard met verschuiving van macht en middelen van burgers naar systemen en centrale aansturing.
- De werkende Nederlander betaalt de rekening van deze uitbreidende overheid, terwijl basisvoorzieningen onder druk staan.
Schijnbare rust in het formatiedocument
Het formatiedocument van D66 en CDA werd gepresenteerd als een richtinggevend verhaal en een professionele schets van wat een volgend kabinet zou kunnen doen. Het moest rust uitstralen, bestuurlijke volwassenheid en serieuze intentie.
Bij lezing blijkt echter iets anders. Niet een agenda van modernisering staat centraal, maar een blauwdruk van een overheid die stilletjes maar beslist verder uitdijt. De taal is vriendelijk, maar het effect is scherp.
Het document zegt nergens dat de overheid moet groeien, maar vrijwel elke maatregel kan alleen worden uitgevoerd door een grotere overheid. De groei is strategisch en niet groots aangekondigd of ideologisch verpakt. Zij is sluipend aanwezig in elk hoofdstuk, elke ambitie en elke nieuwe structuur.
Een overheid die meer regie wil
Op papier lijkt het formatiedocument vooral pragmatisch. Nederland heeft problemen, dus de overheid moet “regie pakken”. Dat klinkt daadkrachtig en geruststellend, maar regie betekent in de praktijk meer bevoegdheden, meer afdelingen en meer coördinatie.
Regie betekent ook meer personeel, meer regels, meer sturing en meer kosten. De voorgestelde woningbouwlocaties vereisen uitgebreide projectorganisaties, vergunningteams en supervisie. De aanpak van netcongestie betekent extra juridische structuren en extra toezicht.
Een nieuw migratiestelsel levert automatisch nieuwe lagen op bij IND, COA, rechtspraak en gemeenten. Ook de stikstofaanpak, natuurherstel, landbouwtransitie, defensie-uitbreiding en infrastructuurprojecten kunnen niet zonder forse uitbreiding van het ambtenarenapparaat. Dit wordt nergens helder uitgesproken en de politieke taal maskeert de werkelijkheid.
Er wordt gesproken over “versnellen”, “aanwijzen”, “activeren”, “handhaven”, “stroomlijnen” en “afspraken maken”. Deze woorden lijken weinig te zeggen. Toch blijkt in de praktijk dat zij vrijwel altijd betekenen dat de overheid groeit.
Krimpende ruimte voor de burger
In dezelfde periode waarin de overheid zichzelf opnieuw aan het opblazen is, spelen andere debatten. Er zijn bezuinigingen op zorg, hervormingen in de AOW en tekorten bij politie en handhaving. Het contrast is dat de staat zichzelf uitbreidt, terwijl burgers te horen krijgen dat basisvoorzieningen niet langer houdbaar zijn.
Dit roept de vraag op hoe een overheid die zichzelf uitbreidt tegelijk kan beweren dat er geen geld is voor de basis. De overheid bekostigt haar groei niet uit eigen middelen. Zij bekostigt die groei uit belastingopbrengsten van mensen die waarde creëren in de economie: werkende Nederlanders.
Deze mensen denken niet in beleidsnota’s maar in werkdagen. Zij denken niet in systemen maar in salarissen en niet in regie maar in rekeningen die betaald moeten worden. Zij zien hun lasten stijgen terwijl voorzieningen afnemen.
Zij merken dat politiecapaciteit achterblijft, zorg wachttijden kent en dat de AOW-discussie een bezuinigingsvraagstuk wordt. De overheid groeit en de samenleving krimpt.
Verschuiving van macht en middelen
De modernisering van de overheid in het formatiedocument klinkt technisch en neutraal, maar heeft grote maatschappelijke impact. Macht verschuift van burgers naar systemen, van lokale gemeenschappen naar centrale aansturing en van markt naar staat. Macht verschuift ook van werkenden naar beleidslagen.
Het probleem is niet per se dat een overheid groeit. Grotere overheden kunnen functioneren als ze efficiënt, transparant en dienstbaar zijn. Het risico ontstaat als een overheid groeit zonder zich af te vragen voor wie zij groeit.
Als uitbreiding niet plaatsvindt om de samenleving te versterken, maar om meer beleid uit te voeren dat vooral nieuwe overheid oplevert, wordt dat zichtbaar als patroon. In het formatiedocument verschijnt een overheid die zichzelf ziet als antwoord op elk probleem. Daardoor creëert zij steeds meer problemen die alleen door nog meer overheid lijken te kunnen worden opgelost.
De positie van de werkende Nederlander
De werkende Nederlander is in dit verhaal niet alleen belastingbetaler, maar ook degene die weinig tijd heeft om te overzien dat elke nieuwe beleidslaag uiteindelijk door hem of haar wordt bekostigd. Mensen die vroeg opstaan, doorwerken, kinderen opvoeden, een bedrijf runnen en verantwoordelijkheden dragen, houden het systeem draaiende. Toch lijkt het systeem volgens de beschrijving niet meer voor hen te werken.
Het formatiedocument vraagt offers aan de samenleving, maar niet aan zichzelf. Het vraagt matiging van burgers, maar expansie van ambtenaren. Het vraagt begrip van mensen, maar laat zelf geen terughoudendheid zien.
Die asymmetrie draagt bij aan het gevoel van veel burgers dat de politiek verder van hen af staat dan ooit. Zij herkennen de beloftes niet in hun dagelijks leven, maar wel de rekening. Deze spanning komt ook terug in bredere analyses van de verhouding tussen burger en overheid, zoals in het rapport Deskundige Overheid.
Een principiële vraag over de groei van de staat
Nederland wordt beschreven als land op een kruispunt. Niet tussen links of rechts, maar tussen een samenleving die wordt versterkt door de overheid en een overheid die zichzelf versterkt ten koste van de samenleving. Een overheid die blijft groeien terwijl de basis voor burgers wordt versoberd, verliest niet alleen financieel draagvlak, maar ook moreel mandaat.
Als de werkende Nederlander telkens opnieuw moet inleveren zodat de staat kan uitbreiden, raakt het evenwicht kwijt dat nodig is voor vertrouwen en stabiliteit. Deze spanning zie je terug in internationale vergelijkingen over overheidsgrootte en collectieve lasten, zoals in Government at a Glance 2023 van de OECD. Ook in de Nederlandse ramingen, zoals het Centraal Economisch Plan 2024 van het CPB, speelt deze vraag een rol.
Daarom staat er boven het hele formatiedocument een vraag. Voor wie groeit de overheid? Voor de burger of voor zichzelf?
Zolang dat antwoord uitblijft, zal de werkende Nederlander blijven ervaren dat de rekening bij hem of haar terechtkomt. De overheid die hij of zij financiert komt daardoor steeds verder van hem of haar af te staan.







